Vleesconsumptiecijfers volgens Wageningen gelijk maar RIVM ziet daling
Wakker Dier verbaasd over gelijkblijvende vleesconsumptie

Wakker Dier wilde graag de omvang van de vleesconsumptie per hoofd van de bevolking in Nederland weten. Tot en met 2012 leverde de Productschappen voor Vee, Vlees en Eieren (PVE) deze informatie. Door de opheffing van de PVE kwam er een einde aan deze informatievoorziening. Wakker Dier heeft daarom Wageningen Economic Research benaderd voor de vleesconsumptie per hoofd van de bevolking. Ook heeft Wakker Dier gevraagd om de huidige vleesconsumptie per hoofd van de bevolking in Nederland te vergelijken met de jaren daarvoor, zodat trends in de vleesconsumptie zichtbaar worden.
Wakker Dier
Uit het onderzoek van Wageningen blijkt, tot grote teleurstelling en verbazing van Wakker Dier, dat het vleesverbruik in Nederland niet is gedaald. In 2017 at de gemiddelde Nederlander 76,6 kilo vlees. Hetzelfde gewicht als in 2016 en slechts marginaal minder dan in 2015. „Mensen zeggen minder vlees te eten. Maar we zien dit niet terug in de cijfers; dat is opmerkelijk”, reageert Wakker Dier. Des te vreemder is dat de verkoop van vleesvervangers stijgt en het aanbod van vegetarische producten groeit. Schijnbaar worden de vegetarische producten niet als vleesvervanger gebruikt, maar wellicht als gemakkelijke vervanger van groente.
Wakker Dier geeft vervolgens in haar persbericht aan dat de vleesconsumptie in Nederland ongezond hoog is en bijna 50 procent boven het advies van het Voedingscentrum. Volgens dit advies zou men voor de gezondheid, zo zegt Wakker Dier, vooral moeten matigen met rood vlees van bijvoorbeeld runderen, schapen en varkens. Echter, het rapport waar dit advies op gebaseerd is, is ondertussen ook al weer door andere deskundigen bekritiseerd.
Twee rapporten
Tegelijkertijd met het Wageningen-rapport publiceerde het RIVM het rapport ‘Voedselconsumptie in Nederland: Wat, waar en wanneer?’. Hierin geeft het instituut aan dat de vleesconsumptie juist gedaald is. Per dag aten Nederlanders tussen 2010 en 2016 gemiddeld ongeveer 100 gram vlees en consumeerden ze ongeveer 350 gram zuivelproducten. Dat is respectievelijk 8 en 12 procent minder dan in de periode 2007-2010.
In het Wageningen-rapport staat dat de vleesconsumptie in 2007 gemiddeld 77,8 kilo per hoofd van de bevolking bedroeg en in 2010 was dit 79,0 kilo. Wordt er uitgegaan van het cijfer van 2010 dan is de vleesconsumptie in 2017 (76,6 kilo) met 3 procent gedaald in tegenstelling tot 8 procent die RIVM presenteert. In vergelijk met 2007 is dat percentage nog geen 1,6 procent.
Verschil in berekening
Beide instanties berekenen de vleesconsumptie echter op een andere wijze. Wageningen gaat uit van het karkasgewicht (vlees en been) en heeft haar berekeningen gericht op menselijke consumptie van 500 vleessoorten en vleesproducten; exclusief producten waar een beetje vlees in verwerkt worden.
Net als de PVE heeft Wageningen de vleesconsumptie per hoofd van de bevolking uitgerekend op basis van de systematiek van de voorzieningsbalansen. Dat komt erop neer dat het verbruik in een bepaald jaar wordt afgeleid van het aantal slachtingen van dieren, de invoer en uitvoer van vlees zoals die in de CBS-statistieken te vinden zijn en de voorraadmutaties.
In feite laten deze cijfers vooral het vleesverbruik zien; in tegenstelling tot RIVM. Het instituut gaat uit van wat de Nederlander aan pure vleesproducten consumeert aan de hand van 4.000 mensen in de leeftijdscategorie van 1 tot 79 jaar. En uit dat onderzoek blijkt tussen 2010 en 2016 de Nederlander gemiddeld 100 gram vlees at. Overigens blijkt dat de vleesconsumptie volgens het RIVM tussen 2012 en 2016 gemiddeld op 98 gram lag en tussen 2012 – 2014 was dit 101 gram lag. Dat is nog geen 2 procent verlaging in twee jaar tijd. De grootste daling is dus vóór 2014 gerealiseerd.
Feiten en statistieken
Door het verschil in berekeningen en uitgangspunten kan dus een verschil ontstaan. De CBS cijfers, die Wageningen gebruikt, zijn gebaseerd op traceerbare feiten en data en geven derhalve een reëler beeld van het vleesverbruik. Hoewel 4.000 mensen statistisch gezien voldoende is om trends waar te nemen, bestaat er altijd een foutmarge. Bovendien blijft het de vraag of iedere respondent de vragenlijst naar waarheid en relevantie heeft in gevuld. Een statistiek blijft daarom altijd open voor discussie; feitelijke cijfers zijn reproduceerbaar of verifieerbaar. De cijfers van Wageningen liggen daarom naar alle waarschijnlijkheid dichter bij de waarheid.

Tekst: Reinout Burgers
Al bijna 25 jaar volg en schrijf ik als journalist onder meer over de varkenshouderij en pluimveehouderij. Twee uiterst boeiende en dynamische sectoren met veel gepassioneerde ondernemers.
Beeld: Agrio archief
Bronnen: Wakker Dier, WUR, RIVM